Kies een onderwerp om direct naar het juiste deel van de pagina te springen.
In- en uitstroom
Waarover gaat dit?
De instroom: het aantal studenten dat jaarlijks met de opleiding geneeskunde start, wordt beperkt door het toelatingsexamen.
De uitstroom: het aantal basisartsen dat afstudeert en doorstroomt naar een vervolgopleiding wordt geregeld via subquota. Beide mechanismen sturen het medisch aanbod bij, zodat het aantal artsen aansluit op de toekomstige behoeften van de samenleving.
Bekijk de explainer
Infobrief startquotum 2025 en subquota 2028
Met deze infobrief wenst VGSO haar standpunten omtrent het startquotum van 2025 en subquota van 2028 met u te delen. Hier wordt overigens ook een historisch overzicht omtrent het ontstaan van beiden geschetst.
Relevante pagina’s van de overheid
Instroom – Het toelatingsexamen
Wil je starten met de opleiding geneeskunde aan een Vlaamse universiteit? Dan moet je eerst deelnemen aan het toelatingsexamen. Wie gunstig gerangschikt is, mag starten met de opleiding.
De Vlaamse instroom is afgestemd op een federaal bepaald contingent: de federale overheid berekent hoeveel nieuwe artsen en specialisten België jaarlijks nodig heeft, en legt vast hoeveel basisartsen mogen doorstromen naar een vervolgopleiding. Door de instroom daarop af te stemmen, wil Vlaanderen vermijden dat afgestudeerden na jarenlange studies geen kans krijgen om het beroep van arts of tandarts effectief uit te oefenen.
Het toelatingsexamen dient ook als filter: het toetst of kandidaten de nodige bekwaamheid hebben om de opleiding succesvol af te ronden. Die aanpak werpt vruchten af, sinds de invoering van het examen zijn de slaagcijfers in het eerste jaar verdubbeld. Ongeveer 90% van de startende studenten behaalt effectief het diploma van arts.
Uitstroom – De subquota
Termen als ‘subquota’ en ‘contingent’ klinken technisch, maar wat betekenen ze concreet?
In de Nederlandstalige geneeskundeopleidingen in Vlaanderen en Brussel wordt het aantal basisartsen dat mag afstuderen (en in welke vervolgopleiding) bepaald door zowel de federale als de Vlaamse overheid.
De federale overheid stelt het totale quotum of contingent vast: hoeveel studenten mogen afstuderen als basisarts, en welk percentage daarvan huisarts of ziekenhuisspecialist wordt.
Daarbovenop beperkt de Vlaamse overheid sinds 2025 de instroom in de vervolgopleidingen via subquota: vaste maximum- en minimumaantallen per specialisatie.
Explainer subquota
Subquota 2025
De Vlaamse Regering heeft voor de eerste keer ooit bepaald om het aantal plaatsen in de specialistische vervolgopleidingen voor bepaalde disciplines te beperken. Deze beslissing is genomen op advies van de Vlaamse Planningscommissie. De eerste keer dat de subquota in werken zullen treden, is in 2025.
Bij de volgende vervolgopleidingen is er een maximum studentenaantal per opleiding bepaald:
- 50 voor geneesheer specialist in anesthesie-reanimatie.
- 20 voor geneesheerspecialist in de heelkunde.
- 4 voor geneesheerspecialist in de neurochirurgie.
- 19 voor geneesheer specialist in de gynaecologie-verloskunde.
Meer informatie kan u hieronder en hier vinden.
Subquota 2026
De subquota van 2026 zijn extensiever in vergelijking met de subquota van 2025. Ook hier heeft de Vlaamse Regering deze maximum- en minimumaantallen gebaseerd op basis van advies van de Vlaamse Planningscommissie.
De subquota van 2026 omvatten ook knelpuntspecialisaties. Dit zijn specialisaties waar er reeds nu of in de toekomst een (verwacht) tekort van arts-specialisten zal zijn. Deze knelpuntspecialisaties krijgen in de subquota van 2026 een ‘minimumaantal’. De maximumaantallen zijn van toepassing op specialisaties waar er reeds een overaanbod van bestaan.
De Vlaamse planningscommissie adviseert om geen subquota te bepalen binnen de vervolgopleiding van inwendige geneeskunde aangezien dit praktisch zeer moeilijk organiseerbaar is.
De subquota van 2026 worden in vier categorieën ingedeeld:
- Vervolgopleidingen met een maximumquotum. Hier valt bijvoorbeeld heelkunde onder.
- Een groep van vervolgopleidingen waarvoor één overkoepelend maximumquotum wordt geadviseerd. Dit betekent dat van er één maximumquotum geldt dat verdeeld wordt over een aantal disciplines.
- Vervolgopleidingen die een positief en stimulerend beleid vereisen. Hieronder valt bijvoorbeeld huisartsgeneeskunde en kinder- en jeugdpsychiatrie.
- Vervolgopleidingen waarvoor er geen subquota geldt.
Subquota 2027
Het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2024 bevatte een materiële fout, waarvoor correctie van de subquota van 2027.
Zoals u kan zien, is het aantal plaatsen voor een aantal disciplines veranderd met de correctie van de subquota. De redenering hiervan, en de afwegingen die de Vlaamse Planningscommissie en Vlaamse Regering hebben overwogen om tot deze subquota te komen, kan u terugvinden in de onderstaande documenten.
In haar nota geeft de Vlaamse Regering aan dat ze het advies van de Vlaamse Planningscommissie voor de subquota van 2027 niet volledig heeft gevolgd. Er is beslist om extra in te zetten op het inhalen van de tekorten huisartsgeneeskunde en kinder-en jeugdpsychiatrie.
Subquota 2028
Hieronder kan u een overzicht van de subquota 2028 vinden. Graag verwijzen wij naar de ‘Infobrief over het startquotum 2025 en subquota 2028‘ voor onze opmerkingen hieromtrent.
Arbeidsduur als stagair
Waarover gaat dit?
Start je aan een nieuw stagejaar? Dan roept dat vaak dezelfde vragen op: Wat mag er van mij verwacht worden? Hoeveel uren zal ik moeten werken?
De wet is duidelijk: zonder opting out mag je gemiddelde arbeidsduur niet meer dan 48 uur per week bedragen, berekend over een periode van 13 weken. De absolute bovengrens ligt op 60 uur per week.
De opting out is een vrijwillige bereidheidsverklaring waarmee je als stagiair instemt met een langere arbeidsduur. Je bent nooit verplicht om die te ondertekenen, en je mag er geen enkel nadeel van ondervinden als je dat niet doet.
Basisprincipe
De arbeidsduur van studenten-stagiairs is geregeld in de wet van 12 december 2010.
Die legt drie grenzen vast:
1. Gemiddeld maximaal 48 uur per week (berekend over 13 weken).
2. Nooit meer dan 60 uur in één week (tenzij in uitzonderlijke omstandigheden).
3. Nooit meer dan 24 aaneengesloten uren per werkperiode.
Wie 12 tot 24 uur aan een stuk werkt, heeft daarna recht op minstens 12 opeenvolgende uren rust.
Opting-out
Studenten kunnen er vrijwillig voor kiezen om via een aparte overeenkomst, de opting-out, af te wijken van die standaardregels. Met een opting-out mag je gemiddeld 60 uur per week werken (over 13 weken), met een absoluut maximum van 72 uur per week. Deze keuze moet volledig vrij zijn en het niet ondertekenen van de opting-out mag geen enkele negatieve gevolgen hebben voor de stagiair.